Branes

Branes is een meditatie van een mens die vandaag leeft en die zich afvraagt wat wezenlijk is in zijn leven. Deze vraag dwingt Branes op zoek te gaan naar zijn eigen verleden. Op zoek naar zijn wortels. Branes stoot op overblijfselen, op herinneringen en dingen die voorgoed voorbij zijn en probeert te ontsnappen in dromen en verbeelding. Hij wil creëren, iets maken. Een bijdrage leveren vandaag. Branes is een theatertekst die nieuwe perspectieven wil openen. Een zicht op een weidser landschap. Een nieuwe wereld.

(een fragment 1 : uit het deel ‘een speld in de hooiberg’)

Branes :

Ik zoek een speld. De speld was er eerst. Daarna is er een hooiberg rond gegroeid. En nu zegt men mij ‘ben je gek, een speld in een hooiberg zoeken’.

De speld was eerst ! Goed, wie heeft die hooiberg daar neergezet? Ik weet het niet. Hij staat er. Vandaag lijkt het alsof hij er altijd heeft gestaan. En alsof hij er in één keer, helemaal was. Maar dat is niet zo. Hij is gegroeid, als takken aan een boom, als een rif, als onkruid, als een … wereld. Van duizend gezichten in een straat die voorbij hollen, rollen, van reclamepanelen ‘koop mij, ik ben het wonderlijkste verderf, ik stik, heb vier motoren, een gespelten tong en een prachtig gebit’.

Een wereld van beelden op schermen, in boeken, van zakenrelaties, misbruik van vertrouwen, gebrek aan respect. Een wereld van veel teveel van veel. En geen plaats meer voor wat echt is. ‘Die’ speld zoek ik.

Ik geef toe : ik bén verdwaald. Want ook ‘s nachts krioelen de maskers van de doden, die we hebben gekend, vaders, moeders en vrienden en de verwarrende schimmen van wie wij niet hebben gekend. Zij huilen en schreeuwen wanneer we weerloos liggen. Weerloos in onszelf. Verdwaald in het bos van weten en niet willen weten, van voelen en niet meer voelen, van leven zonder nog te leven. Lawaai, teveel kanalen en eindeloze wegen zonder doel.

We kennen ze, de mensen. De eeuwig rustelozen. Die monter in hun wagen stappen. Zwaaien naar vrouw en kinderen. En denken dat de weg, de autoweg, hen er brengen zal. Dat ze blijgezind zullen uitstappen en zeggen: ik ben er.

Kortom, ik moet spitten. Delven. Het kluwen van de hooiberg ontrafelen. Ik wil. Ik wil op een nieuwe ochtend ontwaken, met een bloem in de hand en vogels die zingen als buiten het hooi verdwenen is en scherp en klein de speld opnieuw te blinken ligt in de zon. Ah !

(fragment 2 : de vier personen komen tot het besluit dat ze op zoek moeten naar de kern. Ze zoeken die in hun verleden. De vier stemmen spreken alsof ze slechts één stem zijn)

4:Terug naar ons verleden.

3:Terug naar onze wortels.

1:Terug naar onze geboortestreek.

4:Ons dorp, de straat.

3:Waar we speelden.

1:En lachten. En spraken met onze grootouders.

4:En de ouders van onze grootouders.

1:Die zelf spraken met de grootouders van de ouders van onze grootouders.

4:Om van die mensen hun ouders nog te zwijgen.

3:Terug naar de geuren van onze jeugd.

4:En de geluiden.

2:Het eerste vliegtuig dat we zagen en niet begrepen.

3:Terug naar de mensen van toen.

1:Die leefden in de wereld van toen.

4:Met andere lucht toen.

1:En ander water toen.

2:En de aarde.

3:En het vuur van toen.

1:Een wereld die onzichtbaar is geworden.

4:Eén dag per keer.

2:Een schip dat traag de haven verlaat. Niet meer weerkeert. Steeds verder weg.

3:Terug naar de haven.

1:Bedenk die tijd en ruimte. Sluit de ogen. Denk terug. De wereld van toen leeft weer.

3:De mensen leven weer.

4:De doden leven weer.

2:De doden spreken weer.

1:Betreed het dodenrijk. En kijk.

4:Betreed die vreemde streek. En spreek.

3:De doden vertellen hun verhalen weer.

1:De warmte van de stemmen. Die wij kennen. We zijn nooit vergeten wat we ons herinneren. Eén woord en alles komt weer. Oh, weemoed.

4:Wat eenmaal is geweest, geneest nooit.

3:Wat eenmaal is geweest, is geweest.

1:Laten we luisteren.

Theatertekst ‘Branes’ kan je bestellen op johan.teirlinck@skynet.be.